“Jij gelooft in God, dus jij gaat naar de hemel. En ik geloof in niks, dus komen we elkaar na de dood, na de dood nooit meer tegen” (Stef Bos). En opeens is daar het besef. Het besef van de enorme spagaat en de invloed op mijn leven. Het vasthouden en de angst om te verliezen in de verbinding naar anderen. Hoe eenzaam ik me voelen kan bij de man die mijn vader is. De reden om dit te delen is omdat mensen zich er in zouden kunnen herkennen…

Ik kijk hem aan terwijl ik hem vertel vanuit welke plek ik kom. We hebben elkaar een paar weken niet gesproken. Op mijn verzoek. Om uit te kunnen zoeken wat er is tussen mij en hem. En wat er niet is. Ik zie aan zijn gezicht, de mislukte poging om zijn tranen te bedwingen, hoeveel moeite hem dit heeft gekost. Ik vertel hem hoe ik hem waardeer. Als dokter, als mens, en ja, ook als vader. Dat ik eerlijk tegen hem wil zijn, ook al kan dat pijn doen. Waarom? Omdat de relatie er voor mij toe doet. Ik ben hier niet om hem fout te maken. Ik zie en voel zijn intentie. De enorme plek van liefde waar vanuit hij handelt. Ik ben hier om hem te vertellen wat het met mij doet. Dat het mijn gevoelens zijn, mijn verantwoordelijkheid. Maar dat het er wel is.

Geen “nee” durven zeggen op een uitnodiging van zijn kant. Voelende zijn teleurstelling. De enorme onbewuste loyaliteit naar mijn vader. Hem geen verdriet willen doen. En tegelijkertijd het liefste “nee” willen zeggen, omdat ik anders opgeef aan mijzelf. Ik kom dan in een groot conflict; als ik voor mezelf kies, dan doe ik hem verdriet. En als ik voor hem kies, dan raak ik verder verwijderd van wat goed voelt voor mij. Helemaal als dat nog eens versterkt wordt door eventuele meningen van hem, van anderen, van mezelf. Alsof ik iets verschrikkelijks fout doe.
Als ik “ja “zeg, dan zou dat zijn uit angst voor zijn reactie. Uit angst voor de oordelen en meningen van anderen. Ik wil niet meer kiezen uit angst. Mijn intentie is niet om hem verdriet te doen. Mijn intentie is om eerlijk en trouw te zijn aan mezelf en daarmee ook aan anderen. Een “nee” wil immers niet zeggen dat ik niet loyaal ben, het hem niet gun of niet van hem houd.
Inmiddels kan ik zien dat het verdriet, de teleurstelling van zijn kant, niet van mij is. Ik ben daar niet verantwoordelijk voor. Daarmee zeg ik niet: “Hier, dat verdriet geef ik je terug, doe er wat leuks mee…” Ik ken zijn stuk in mijn eigen rol als vader. Ik ken en weet hoe het verdriet voelt wanneer je eigen kind jou niet de knuffel geven kan waar je zelf zo op gehoopt of naar verlangd had. Maar ik zie ook dat ik dat niet kan afdwingen. Ik wil haar knuffel ontvangen wanneer zij daar klaar voor is en zij die geven kan. Vanuit haar plek. Niet omdat het zo hóórt…

Ik vraag mijn vader: “Pap, zou je dat kunnen? Zou je mij vrij kunnen laten? Vrij kunnen laten om datgene te doen wat goed voelt voor mij? Dat wanneer je mij een vraag stelt, een “ja” even welkom is als een “nee”? En dat wanneer ik “ja” zeg, dat je dan weet én voelt dat het oprecht is. Een “ja” die komt vanuit mij. En niet uit angst, uit twijfel of uit onzekerheid. Maar vanuit een plek omdat ik het op dat moment daadwerkelijk wil? Pap, zou je dat kunnen…?”

“Jij gelooft in God
Dus jij gaat naar de hemel
En ik geloof in niks
Dus we komen elkaar na de dood
Na de dood nooit meer tegen
Maar papa
Ik hou steeds meer van jou”
(Stef Bos)